Van eco naar eco: wat blijft er van verandering over wanneer zij het bestaande systeem ontmoet?

Deel 6 van de reeks ‘Wat nieuw is, verschijnt vaak eerst als iets wat niet past’

De eerste eco is de bedoeling waarmee verandering begint. De tweede eco is wat ervan overblijft nadat de economie haar voorwaarden heeft gesteld.

In het vorige deel eindigde ik met een vraag:

Wat probeert hier zichtbaar te worden waarvoor onze bestaande ordening nog geen plaats heeft?

Maar zichtbaar worden is nog niet hetzelfde als werkelijk plaats krijgen.

Wat gebeurt er wanneer het nieuwe toegang zoekt tot de ordening die het juist probeert te veranderen?

Wordt het tegengehouden?

Of gebeurt er iets veel subtielers?

Misschien krijgt het nieuwe wel een plaats — op voorwaarde dat het steeds meer op het oude gaat lijken.

Daar begint de beweging van eco naar eco.

De eerste eco is de ecologische bedoeling waarmee verandering ontstaat. De tweede eco is wat van die bedoeling nog herkenbaar blijft nadat zij productie, financiering, schaal, distributie en rendement heeft ontmoet.

Begon het als eco — en kon het eco blijven?

Soms begint die vraag niet bij een groot economisch rapport.

Soms begint ze voor een diepvriesvak.

Waarom vind ik in een Belgische biosupermarkt wel Duitse biologische pizza’s, maar nauwelijks Vlaamse?

De pizza als prototype

Een biologische pizza is op zichzelf niets wereldschokkends. En toch vertegenwoordigt zij een mogelijkheid.

Voedsel kan worden geproduceerd met meer aandacht voor bodem, grondstoffen, dieren en menselijke gezondheid. Een lokale producent kan daar nog iets aan toevoegen: kortere ketens, regionale kennis, herkenbare herkomst en een nauwere relatie tussen wat hier wordt geproduceerd en wat hier wordt gegeten.

Het product wordt daarmee een klein prototype van een andere economie.

Een prototype toont dat iets mogelijk is.

Maar daarmee weten we nog niet of de bestaande economie die mogelijkheid ook kan dragen.

Wanneer het nieuwe de markt ontmoet

Zodra een kleine biologische producent toegang zoekt tot het winkelschap, ontmoet hij niet alleen klanten. Hij ontmoet een volledige economische infrastructuur.

Er moeten vaste volumes worden geleverd. Producten moeten permanent beschikbaar zijn. Prijs, formaat, smaak en houdbaarheid moeten voorspelbaar blijven. Certificering, verpakking, voedselveiligheid, distributie en promotie vragen investeringen. De marge moet niet alleen de producent dragen, maar ook logistiek en winkelruimte.

Een grotere buitenlandse producent kan vaak gemakkelijker aan die voorwaarden voldoen. Niet noodzakelijk omdat zijn product ecologisch beter is, maar omdat hij beschikt over een grotere thuismarkt, gespecialiseerde productielijnen, meer onderhandelingsruimte en lagere kosten per geproduceerd stuk.

De lokale biologische producent krijgt ondertussen twee moeilijke mogelijkheden.

Klein blijven en nauwelijks toegang krijgen tot het schap.

Of opschalen en steeds meer leren produceren volgens de logica van de voedingsindustrie waarvan hij oorspronkelijk een alternatief wilde zijn.

De economie stelt voorwaarden waaronder het nieuwe alleen kan blijven bestaan wanneer het steeds meer op het oude gaat lijken.

De biologische verpakking kan blijven. Het keurmerk kan blijven. Zelfs het oorspronkelijke verhaal kan op de website blijven staan. Maar grondstoffen, schaal, eigenaarschap, productiewijze en relaties met leveranciers kunnen onderweg ingrijpend veranderen.

Dan blijft de verandering zichtbaar bestaan, terwijl precies datgene wat haar werkelijk anders maakte langzaam verdwijnt.

Heeft de markt werkelijk gekozen?

Wanneer een klein merk uit het schap verdwijnt, klinkt de verklaring vertrouwd:

Er was onvoldoende vraag naar.

Maar de consument kiest alleen uit wat het voorafgaande selectieproces heeft overleefd. Voordat iemand voor het diepvriesvak staat, hebben financiering, schaal, distributie, prijszetting, leveringszekerheid en rendement al bepaald welke producten daar terecht konden komen.

Daarna gebruiken we de verkoopcijfers als bewijs van wat mensen wilden.

We zeggen dat de markt heeft beslist. Maar we onderzoeken zelden welke voorwaarden vooraf hebben bepaald wat op die markt kon overleven.

Misschien was de vraag er wel, maar ontbrak de economische infrastructuur om die vraag duurzaam te verbinden met kleinschalige productie.

Dan wordt een systeemprobleem opnieuw voorgesteld als een consumentenkeuze.

De consument moet bewuster kiezen, etiketten lezen, lokaal kopen en eventueel meer betalen. Maar zelfs wanneer mensen al die stappen zetten, bepaalt de economische infrastructuur welke keuze bereikbaar, betaalbaar en blijvend beschikbaar wordt.

Niet alleen de consument selecteert producten.

De economische infrastructuur selecteert eerst welke producten de consument überhaupt kan kiezen.

Wanneer bewustzijn het systeem ontmoet

Al jaren spreken we over de beweging van ego naar eco: van handelen vanuit het afzonderlijke belang naar waarnemen en handelen vanuit het grotere geheel.

Die bewustzijnsbeweging blijft waardevol. Maar zij is niet voldoende.

Een mens kan ecologischer leren denken, kiezen en handelen en vervolgens opnieuw terechtkomen in een economie die niet mee is gekanteld. Een producent kan vanuit een ecologische bedoeling beginnen en daarna een markt betreden die hem beloont wanneer hij steeds meer op het bestaande systeem gaat lijken.

Dan ontbreekt niet noodzakelijk het bewustzijn.

Dan ontbreekt de economische draagkracht om dat bewustzijn te laten doorwerken.

De kanteling van ego naar eco brengt het grotere geheel in beeld. De beweging van eco naar eco volgt wat er met die ecologische bedoeling gebeurt zodra zij de bestaande ordening binnengaat.

Kan zij toegang krijgen zonder haar oorsprong te verliezen?

Kan zij groeien zonder opnieuw extractief te worden?

Kan zij economisch levensvatbaar worden zonder de levende werkelijkheid opnieuw ondergeschikt te maken aan haar verdienmodel?

Dat zijn geen vragen over de zuiverheid van één producent. Het zijn vragen over het vermogen van een systeem om werkelijk iets anders te ontvangen.

Van wie is het — en welke logica bestuurt het?

Daarom lossen ook nieuwe eigendomsmodellen het vraagstuk niet automatisch op.

We kunnen productiemiddelen privatiseren, nationaliseren, socialiseren of democratiseren. We kunnen coöperaties, commons en gedeeld eigenaarschap organiseren. Dat kan macht anders verdelen en nieuwe mogelijkheden openen.

Maar de vraag is niet alleen van wie de productiemiddelen zijn.

De vraag is welke logica het gebruik ervan blijft vormen zodra het nieuwe eigendomsmodel de werkelijkheid ontmoet.

Wie krijgt toegang tot de beslissing? Welke informatie bereikt die plaats? Wat wordt als succes gemeten? Wie draagt de gevolgen? En kan een besluit worden bijgestuurd wanneer bodem, water, mensen of gemeenschappen laten zien dat het niet langer houdbaar is?

Ook wanneer iedereen mag meebeslissen, kan wat we samen besluiten ecologisch onhoudbaar zijn.

Een meerderheid kan een beslissing dragen. Dat betekent nog niet dat de aarde haar kan dragen.

Democratische zeggenschap blijft noodzakelijk. Maar een levende economie vraagt meer. Zij moet zich kunnen laten corrigeren door het leven waarvan zij afhankelijk is.

De levende werkelijkheid antwoordt

Die levende werkelijkheid is ruim.

Zij spreekt via ecosystemen die hun grenzen tonen. Via mensen die uitvallen. Via kennis die samen met medewerkers uit organisaties verdwijnt. Via gemeenschappen die de gevolgen dragen. Via kleine producenten die ondanks aanwezige vraag geen toegang behouden. Via toekomstige generaties die vandaag nog niet mee aan tafel kunnen zitten. En via economische resultaten die blijven groeien terwijl hun menselijke en ecologische bestaansvoorwaarden verslechteren.

Dat zijn geen afzonderlijke neveneffecten.

Het zijn antwoorden van de werkelijkheid.

Een levende economie hoeft geen economie zonder winst, bezit, markten of ondernemerschap te zijn. Zij vraagt wel dat geen enkele economische logica zich definitief aan correctie kan onttrekken.

Een levende economie blijft luisteren naar wat haar beslissingen teweegbrengen — en verandert van richting wanneer mens, natuur of samenleving de gevolgen niet langer kunnen dragen.

Kan verandering anders blijven?

Verandering eindigt niet wanneer iets nieuws wordt ingevoerd.

Daar begint pas de vraag of het nieuwe door de bestaande werkelijkheid kan bewegen zonder opnieuw tot het oude te worden gevormd.

Daar ligt de functie van Tracer.

Tracer volgt niet alleen of verandering wordt ingevoerd, maar of zij onder druk nog herkenbaar blijft als de verandering die zij wilde zijn.

Bij de biopizza betekent dat: niet alleen vaststellen dat het product biologisch gecertificeerd is, maar volgen wat er met de oorspronkelijke bedoeling gebeurt wanneer het moet opschalen, concurreren en renderen.

Welke waarden blijven werkelijk overeind? Welke worden onderweg aangepast? Welke producenten verdwijnen voordat de consument ooit tussen hen kon kiezen? En bereikt die werkelijkheid nog de plaats waar over assortiment, investeringen en economische richting wordt beslist?

Een prototype toont dat iets mogelijk is. Tracer toont of het systeem in staat is die mogelijkheid te dragen.

Daarmee verschuift de beweging:

Van een economie die ecologische verandering absorbeert en terugvormt naar het oude, naar een economie die zich door de levende werkelijkheid laat corrigeren.

Misschien ligt de belangrijkste economische vraag van deze tijd daarom niet in de keuze van één volmaakt model.

De vraag is:

Kan een nieuwe economie levend blijven nadat zij de oude economie ontmoet — of wordt zij onderweg opnieuw wat zij wilde vervangen?

Soms ligt het antwoord niet in een groot economisch rapport.

Soms ligt het gewoon in het diepvriesvak.

Waarom is dit belangrijk voor AX SEA?

AX SEA onderzoekt niet alleen of verandering wordt bedacht of ingevoerd, maar wat ermee gebeurt zodra zij door de bestaande organisatie begint te bewegen.

Waar verandert de oorspronkelijke bedoeling? Welke voorwaarden vormen het nieuwe opnieuw naar het oude? En bereiken die gevolgen nog de plaats waar kan worden bijgestuurd?

Tracer volgt of verandering onder druk herkenbaar blijft als de verandering die zij wilde zijn.

Volgende
Volgende

Wat geven we kinderen mee wanneer de antwoorden veranderen?