Wat geven we kinderen mee wanneer de antwoorden veranderen?

Deel 5 van de reeks ‘Wat nieuw is, verschijnt vaak eerst als iets wat niet past’

We kennen de wereld waarvoor we hen opleiden niet meer volledig

We kunnen kinderen het juiste antwoord op de vraag van gisteren leren en hen toch onvoldoende voorbereiden op morgen.

Niet omdat kennis onbelangrijk wordt. Integendeel. Juist in een wereld van snelle verandering hebben kinderen taal, geschiedenis, natuurwetenschappen, techniek, kunst en economie nodig om te kunnen herkennen wat er beweegt en wat verloren dreigt te gaan.

Maar de werkelijkheid waarin zij volwassen worden, zal niet volledig overeenkomen met de ordening waarin die kennis vandaag wordt aangeboden.

Ecologische grenzen en technologische versnelling zullen tegelijk aanwezig zijn. Artificiële intelligentie verandert hoe kennis wordt gevonden en toegepast. Werk, gezondheid, migratie, energie en voedsel raken steeds nauwer met elkaar verweven.

Wij kunnen niet precies voorspellen welke functies kinderen later zullen uitoefenen of welke oplossingen zij nodig hebben.

We kunnen wel onderzoeken welke menselijke vermogens hen helpen om richting te vinden wanneer bestaande antwoorden niet langer volstaan.

Kennis als fundament, niet als afgesloten kader

In het tweede deel van deze reeks zagen we hoe een ecologische streefwaarde noodzakelijk kan zijn en tegelijk correctie nodig kan hebben wanneer de omstandigheden veranderen.

Met kennis gebeurt iets vergelijkbaars.

Kennis bewaart wat generaties vóór ons hebben waargenomen, onderzocht en geleerd. Zij geeft woorden, onderscheid en referentie en laat zien welke gevolgen eerdere keuzes hadden.

Maar kennis kan ook een kader worden waarbinnen alleen nog wordt herkend wat er al in past.

Wanneer een nieuwe soort verschijnt, een landschap anders reageert, technologie menselijk handelen verandert of een kind op een andere manier leert, ontstaat gemakkelijk de neiging om de afwijking te corrigeren voordat we hebben onderzocht wat zij vertelt.

De vraag is daarom niet of onderwijs kennis of vaardigheden moet aanbieden.

De vraag is of kennis wordt doorgegeven als een eindpunt, of als een zorgvuldig opgebouwd vertrekpunt vanwaaruit opnieuw kan worden gekeken.

Kennis vertelt ons wat we hebben leren herkennen.

Waarneming laat zien of het nog steeds op dezelfde manier geldt.

Niet iedere onzekerheid hoeft onmiddellijk opgelost te worden

Onderwijs heeft begrijpelijkerwijs duidelijkheid nodig. Een opdracht heeft criteria en een toets moet kunnen bepalen wat een leerling beheerst.

Maar veel vraagstukken waarmee kinderen later zullen omgaan, hebben geen afgebakende eigenaar of één juist antwoord. Ecologische, economische en technologische veranderingen brengen belangen, tijdschalen en gevolgen samen die niet binnen één vakgebied kunnen worden opgelost.

Daarvoor moeten kinderen niet alleen leren antwoorden.

Ze moeten leren hoe ze bij een vraag kunnen blijven wanneer het antwoord nog niet beschikbaar is.

Kunnen zij waarnemen voordat zij oordelen? Kunnen zij verschillende verklaringen naast elkaar houden? Kunnen zij zien welke informatie ontbreekt? Kunnen zij een besluit herzien zonder dat als persoonlijk falen te ervaren? Kunnen zij samenwerken met mensen die een andere werkelijkheid kennen?

Dat zijn geen zachte aanvullingen op echte kennis.

Het zijn vermogens die bepalen of kennis in een onbekende situatie nog bruikbaar wordt.

Een kind dat onzekerheid alleen als tekort leert ervaren, grijpt gemakkelijk naar het eerste bekende antwoord. Wie onzekerheid leert onderzoeken, kan onderscheiden wat nog niet bekend is en waar toch gehandeld moet worden.

Wortels én beweging

Kinderen voorbereiden op verandering betekent niet dat zij voortdurend flexibel, innovatief en aanpasbaar moeten zijn.

Daar ligt een belangrijk gevaar.

Wanneer volwassenen systemen, ecologische schade en economische onzekerheid niet voldoende corrigeren, mogen we de verantwoordelijkheid daarvoor niet doorschuiven naar kinderen met de boodschap dat zij vooral veerkrachtiger moeten worden.

Een kind dat zich zonder rustpunt voortdurend moet aanpassen, wordt niet automatisch toekomstvaardig. Het kan ook uitgeput, vervreemd of stuurloos raken.

Kinderen hebben daarom ook gronding nodig. Relaties waarin zij gekend zijn. Natuur die niet uitsluitend als leeronderwerp verschijnt, maar werkelijk ervaren kan worden. Gemeenschap, taal, vakmanschap en geschiedenis. Plaatsen waar niet alles onmiddellijk een prestatie of innovatie hoeft te worden.

Van daaruit kunnen zij de wereld tegemoet treden zonder in iedere verandering zichzelf te verliezen.

Misschien bestaat toekomstgericht onderwijs uit drie vermogens:

Wortels om niet in iedere verandering te verdwijnen.

Waarnemingsvermogen om te zien wat werkelijk verandert.

Verbeeldingskracht om te bouwen wat nog niet bestaat.

Die drie kunnen niet los van elkaar worden ontwikkeld. Zonder wortels wordt vernieuwing richtingloos. Zonder waarneming wordt kennis herhaling. Zonder verbeeldingskracht blijven alleen de oplossingen over die volwassenen al bedachten.

Wat niet past, is niet altijd het probleem

Wat nieuw is, verschijnt vaak eerst als iets wat niet past.

Dat zagen we bij de natuur die haar vroegere grenzen verlaat. Bij hersteldoelen die niet meer volledig aansluiten op veranderende omstandigheden. Bij deskundigheid die tussen functies en disciplines leeft. En we zien het ook bij kinderen.

Sommige kinderen nemen andere details waar, leggen onverwachte verbanden of stellen vragen waarvoor het programma geen ruimte heeft. Dat kan ondersteuning vragen. Niet iedere botsing met een kader is een voorbode van de toekomst.

Maar ook hier geldt dat afwijking eerst informatie is.

Wanneer een kind niet past, onderzoeken we dan alleen hoe het opnieuw kan aansluiten? Of kijken we ook naar de omgeving, het tempo, de verwachtingen en de wijze waarop leren is georganiseerd?

Een systeem dat iedere afwijking uitsluitend in het kind lokaliseert, verliest informatie over zichzelf.

Dat betekent niet dat alle grenzen verdwijnen of dat ieder individueel verlangen het onderwijs moet bepalen. Kinderen hebben structuur, begeleiding en gemeenschappelijke kennis nodig.

Maar een leeromgeving moet voldoende corrigeerbaar blijven om te kunnen onderscheiden wanneer een kind ondersteuning nodig heeft en wanneer het kader zelf te smal is geworden.

Van toekomstige werknemer naar deelnemer aan de wereld

Onderwijs wordt vaak verbonden met arbeidsmarkt en economische toekomst. Terecht: kinderen moeten later zelfstandig kunnen leven, bijdragen en hun vermogens kunnen inzetten.

Maar wanneer Human Capital uitsluitend betekent dat kinderen voorbereid worden op functies die de economie verwacht nodig te hebben, maken we hen opnieuw passend voor een systeem waarvan de ecologische en maatschappelijke voorwaarden juist veranderen.

De vraag is niet alleen welke beroepen zullen groeien.

De vraag is welke mensen nodig zijn om economie, technologie en ecologie opnieuw met elkaar te verbinden.

Mensen die gevolgen door verschillende systemen kunnen volgen. Die begrijpen dat waarde niet pas ontstaat wanneer zij in geld verschijnt. Die nieuwe technologie kunnen gebruiken zonder menselijk oordeel uit te besteden. Die kunnen vernieuwen en tegelijk herkennen wat bescherming vraagt.

Kinderen zijn daarom niet alleen toekomstige werknemers of consumenten.

Ze worden deelnemers aan een wereld die tijdens hun leven opnieuw georganiseerd zal moeten worden.

Het vermogen van leerlingen om invloed uit te oefenen krijgt pas betekenis wanneer zij niet uitsluitend kiezen binnen een vooraf bepaalde werkelijkheid, maar ook leren hoe zij die samen met anderen verantwoord kunnen veranderen.

De toekomst is mogelijk al aanwezig

Misschien is het belangrijkste dat wij kinderen kunnen meegeven niet het vermogen om de toekomst juist te voorspellen.

Het is het vermogen om haar te herkennen wanneer zij zich aandient.

De toekomst verschijnt zelden herkenbaar als toekomst. Zij verschijnt in een vraag die nog niet bij een vak hoort, een talent waarvoor nog geen functie bestaat, een soort die verschuift of een kind dat iets ziet waarvoor volwassenen nog geen taal hebben.

Wat vandaag niet past, kan schadelijk zijn en begrenzing nodig hebben. Het kan ook een vroege aanpassing zijn, een nieuw verband of een vermogen dat later noodzakelijk blijkt.

Daarom moeten kinderen niet leren dat ieder bestaand kader verkeerd is. Ze moeten leren dat een kader een hulpmiddel is: waardevol zolang het de werkelijkheid helpt verstaan, corrigeerbaar zodra het belangrijke delen ervan buiten beeld houdt.

Niet onze antwoorden worden hun belangrijkste erfenis.

Wel hun vermogen om nieuwe vragen te herkennen zonder zichzelf te verliezen.

Daarom is de laatste vraag van deze reeks:

Onderwijzen we kinderen om het juiste antwoord te onthouden, of om te herkennen wanneer de werkelijkheid een nieuwe vraag stelt?

Waarom dit voor AX SEA belangrijk is

De vijf delen van deze reeks begonnen bij kleine appels onder een boom en eindigen bij de vraag wat wij kinderen meegeven.

Daartussen bleef dezelfde beweging zichtbaar. Een werkelijkheid verandert voordat zij onze categorieën, investeringen, functies of lessen bereikt. Wat niet past, wordt gemakkelijk als afwijking behandeld. Pas wanneer het bestaande leven wordt onderbroken, krijgt het signaal gewicht.

AX SEA werkt in de ruimte vóór die onderbreking. Waar waarneming nog geen route heeft, nieuwe deskundigheid nog geen positie vindt en bestaande antwoorden onvoldoende blijken zonder dat al duidelijk is wat ervoor in de plaats moet komen.

Niet om iedere verandering te verwelkomen.

Wel om lang genoeg te blijven kijken om te kunnen onderscheiden wat bescherming, begrenzing, correctie of een nieuwe plaats vraagt.

De toekomst hoeft niet volledig voorspeld te worden.

Maar zij moet wel toegang kunnen krijgen wanneer zij zich aandient.

AX SEA — Wat nieuw is, verschijnt vaak eerst als iets wat niet past.

Bronnen voor verdere verdieping

Vorige
Vorige

Van eco naar eco: wat blijft er van verandering over wanneer zij het bestaande systeem ontmoet?

Volgende
Volgende

Welk menselijk vermogen vraagt een veranderende ecologie?