Natuurherstel naar welke natuur?

Deel 2 van de reeks ‘Wat nieuw is, verschijnt vaak eerst als iets wat niet past’

Kunnen we terugbrengen wat niet meer onder dezelfde omstandigheden hoeft te leven?

Na een brand ontstaat bijna vanzelf de vraag hoe het gebied kan worden hersteld.

Welke bomen moeten terugkeren? Welke vegetatie willen we opnieuw ontwikkelen? Welke soorten horen op deze plaats thuis? Hoe zag het landschap eruit voordat het vuur erdoorheen trok?

Het zijn noodzakelijke vragen. Zonder kennis van wat aanwezig was, dreigt iedere verdere verarming als een nieuwe normale toestand te worden aanvaard. Streefwaarden en historische referenties beschermen ons tegen dat verlies. Ze laten zien wat een landschap kon dragen voordat verdroging, versnippering en menselijk gebruik het veranderden.

Maar de branden leggen ook een andere vraag op tafel.

Wat als niet alleen het landschap beschadigd is, maar ook de omstandigheden waaronder dat vroegere landschap kon bestaan veranderd zijn?

Dan volstaat het niet om te weten wat we willen terugbrengen. We moeten ook onderzoeken waarin het moet terugkeren.

Een streefwaarde is geen stilstaand beeld

Natuurbeheer heeft richting nodig. Zonder richting wordt beheer een opeenvolging van losse ingrepen en kan iedere achteruitgang worden uitgelegd als aanpassing. Daarom zijn referentiebeelden belangrijk. Ze bewaren kennis over soorten, structuren en samenhangen die anders uit ons geheugen verdwijnen.

Maar een streefwaarde kan ongemerkt veranderen van richtingaanwijzer in eindbeeld.

Dan proberen we een bepaalde vegetatie, soortensamenstelling of landschapsvorm opnieuw tot stand te brengen, terwijl bodem, waterbeschikbaarheid, temperatuur en verstoringsritme inmiddels een andere werkelijkheid vormen. Wat vroeger op die plaats kon regenereren, krijgt misschien niet meer voldoende tijd, vocht of verbinding om zichzelf opnieuw te dragen.

Dat betekent niet dat we onze ecologische ambitie moeten verlagen. Het betekent dat we nauwkeuriger moeten worden in wat we onder herstel verstaan.

Herstellen we het zichtbare beeld? Of herstellen we het vermogen waaruit levende natuur opnieuw kan ontstaan?

Een aangeplante boom is nog geen hersteld bos. Een teruggebrachte soort is nog geen hersteld ecosysteem. Een gebied kan opnieuw groen ogen en toch onvoldoende water vasthouden, te weinig bodemleven bevatten of zo geïsoleerd liggen dat soorten er niet duurzaam kunnen blijven.

Misschien moet een streefwaarde daarom niet alleen benoemen wat we opnieuw willen zien. Zij moet ook beschrijven welke draagkracht daarvoor nodig is: een levende bodem, voldoende water, ruimtelijke verbinding, variatie, hersteltijd en de mogelijkheid om op verandering te antwoorden.

Een streefwaarde mag richting geven, maar zij mag de werkelijkheid niet verhinderen ons te corrigeren.

De natuur blijft niet waar wij haar hebben vastgelegd

Terwijl wij proberen natuurgebieden te beschermen en te herstellen, begint de natuur zelf te bewegen.

Temperaturen verschuiven. Droogteperiodes duren langer. Seizoenen veranderen. Geschikte leefgebieden verplaatsen zich. Dieren en planten reageren daarop niet via beleidsplannen, maar door vroeger te bloeien, later te vertrekken, andere voedselbronnen te zoeken of hun verspreidingsgebied op te schuiven.

Sommige soorten verdwijnen uit gebieden waarvoor wij ze ooit als kenmerkend aanwezen. Andere soorten verschijnen op plaatsen waar ze vroeger nauwelijks of niet voorkwamen.

Daar ontstaat een nieuwe spanning.

Wij zeggen dat natuur zich moet aanpassen aan klimaatverandering. Maar wanneer soorten dat werkelijk doen en een nieuw gebied bereiken, behandelen we hen gemakkelijk als iets wat daar niet hoort.

We vragen de natuur zich aan te passen zonder haar toe te staan te bewegen.

Dat betekent niet dat iedere nieuwkomer automatisch waardevol is. Sommige soorten kunnen bestaande relaties ontregelen, andere soorten verdringen of ziekten verspreiden. Beschermen vraagt ook begrenzen. Maar de historische vraag — kwam deze soort hier vroeger voor? — kan niet langer de enige vraag zijn.

We moeten ook onderzoeken waarom een soort verschijnt, welke ecologische plaats zij inneemt, welke relaties zij mogelijk maakt, wat zij verdringt en wat haar aanwezigheid vertelt over de omstandigheden die aan het veranderen zijn.

Niet iedere nieuwkomer is een bedreiging. Niet iedere nieuwkomer is een oplossing.

Iedere nieuwkomer is eerst informatie.

Waar moet een bewegende natuur heen?

Voor soorten die hun leefgebied verliezen, is opschuiven bovendien geen vrije keuze. Zij komen terecht in een landschap van wegen, woningen, intensieve landbouw, bedrijventerreinen en geïsoleerde natuurgebieden. Zelfs wanneer verderop een geschikt klimaat ontstaat, betekent dat nog niet dat zij die plaats kunnen bereiken of er ruimte vinden.

Dat maakt natuurherstel ook tot een vraag over routes.

Herstellen we uitsluitend afzonderlijke gebieden, of herstellen we ook de verbindingen waarlangs leven kan bewegen? Zijn er gradiënten, corridors, waterlopen, bermen en stapstenen die soorten de mogelijkheid geven om zich te verplaatsen? En bieden onze beheerdoelen voldoende ruimte aan nieuwe samenhangen die niet volledig overeenkomen met het historische beeld?

Wanneer wij natuur alleen beschermen binnen de grenzen waar wij haar eerder hebben aangetroffen, beschermen we mogelijk haar verleden zonder haar een route naar de toekomst te geven.

Dat is ongemakkelijk. Natuurbeleid, monitoring en beheer vragen om duidelijke categorieën. Inheems of uitheems. Gewenst of ongewenst. Beschermen of bestrijden. Zulke categorieën blijven noodzakelijk, maar de werkelijkheid tussen die categorieën wordt groter.

Wat nieuw is, verschijnt vaak eerst als iets wat niet past.

De vraag is dan niet onmiddellijk hoe we het opnieuw passend maken. De eerste vraag is wat hier zichtbaar probeert te worden waarvoor ons bestaande kader nog geen plaats heeft.

Van terugbrengen naar opnieuw mogelijk maken

Misschien vraagt de veranderende ecologische werkelijkheid niet om minder natuurherstel, maar om een diepere vorm ervan.

Niet alleen herstellen wat verdwenen is, maar opnieuw mogelijk maken dat een landschap water vasthoudt, temperatuur reguleert, soorten laat bewegen en na verstoring nieuwe samenhang kan vormen.

Dat kan betekenen dat we historische soorten en structuren actief beschermen waar de voorwaarden daarvoor nog aanwezig of herstelbaar zijn. Het kan ook betekenen dat we op andere plaatsen moeten erkennen dat de vroegere samenstelling niet volledig terugkeert en dat een nieuwe, zorgvuldig gevolgde samenhang ontstaat.

De keuze is dus niet tussen alles bij het oude houden en alles wat nieuw is zomaar verwelkomen.

De opgave is onderscheidingsvermogen.

Wat dreigt door menselijke druk verloren te gaan en vraagt krachtige bescherming? Wat verstoort de resterende draagkracht en moet worden begrensd? Wat beweegt omdat het klimaat verandert? En welke nieuwe relatie kan bijdragen aan een landschap dat onder toekomstige omstandigheden opnieuw levend en veerkrachtig wordt?

Daarvoor moeten beheerplannen meer kunnen dan uitvoeren wat eerder als juist werd vastgelegd. Ze moeten kunnen leren van wat monitoring, soorten, bodem en water inmiddels laten zien.

Natuurherstel wordt dan geen poging om de tijd terug te draaien.

Het wordt een verbinding tussen wat we niet willen verliezen en wat we nog moeten leren herkennen.

Een toekomst die eerst als afwijking verschijnt

De brand maakt zichtbaar dat de omstandigheden veranderen. De soorten die opschuiven, laten zien dat de natuur daar al op antwoordt. En onze streefwaarden bepalen vervolgens of dat antwoord toegang krijgt tot onze waarneming of onmiddellijk als afwijking wordt behandeld.

Misschien ligt daar de moeilijkste verantwoordelijkheid van natuurbeheer: niet alleen weten wat vroeger waardevol was, maar ook leren onderscheiden welke waarde zich onder nieuwe omstandigheden probeert te vormen.

Niet om het verleden op te geven.

Wel om te voorkomen dat onze trouw aan het verleden de toekomst geen plaats geeft.

Daarom is de centrale vraag niet alleen welke natuur wij willen herstellen.

De vraag is:

Kan natuur toekomst hebben wanneer onze streefwaarde haar verplicht te blijven wie zij vroeger was?

Waarom dit voor AX SEA belangrijk is

Ook buiten natuurbeheer kunnen bestaande kaders zo bepalend worden dat nieuwe werkelijkheid eerst als afwijking verschijnt. Een signaal past niet in het dossier. Deskundigheid past niet in een functie. Een verandering past niet in de strategie. Vervolgens proberen we de werkelijkheid opnieuw in overeenstemming te brengen met het kader, zonder eerst te onderzoeken of het kader zelf correctie nodig heeft.

AX SEA blijft bij die tussenruimte. Niet om ieder nieuw verschijnsel te omarmen, maar om te onderscheiden wat begrenzing, bescherming, verbinding of integratie vraagt.

Want corrigeerbaarheid betekent niet dat we zonder richting bewegen.

Het betekent dat onze richting zich door de werkelijkheid laat informeren.

Volgend deel: Investeren we in herstel of in onze voorstelling ervan?

AX SEA — Wat geen plaats krijgt, blijft bewegen.

Bronnen voor verdere verdieping

Vorige
Vorige

Investeren we in herstel of in onze voorstelling ervan?

Volgende
Volgende

Wat kost een appel die nooit rijp wordt?